Er zijn van die perioden waarin de buitenwereld zich nadrukkelijk aandient in organisaties die daar eigenlijk niet op zijn ingericht. Maatschappelijke onrust, economische schommelingen, berichten over arbeidsmarktspanningen of bestuurlijk falen elders — het sijpelt binnen, soms via een medewerker die een krantenkop heeft gelezen, soms via een bestuurder die zich geroepen voelt er iets van te vinden. Wat dan gebeurt in de vergaderkamer is zelden wat men zou verwachten, en het is precies dat patroon dat mij na twintig jaar nog altijd bezighoudt.
De neiging om te reageren op wat men hoort
Organisaties — en dan denk ik in het bijzonder aan de middelgrote familiebedrijven en semi-publieke instellingen waarbij ik regelmatig over de vloer kom — hebben de eigenschap dat nieuws van buiten een bijzondere werking krijgt zodra het de directiekamer bereikt. Het wordt niet zozeer geanalyseerd als wel gevoeld. Een bericht over een concurrent die reorganiseert, een rapportage over personeelstekorten in de sector, of een discussie die op nos.nl breed wordt uitgemeten over de toekomst van het midden- en kleinbedrijf: het roept reacties op die snel de vorm aannemen van een besluit, terwijl er eigenlijk nog geen vraag is geformuleerd.
Dat is het eerste wat mij opvalt wanneer ik in zo’n situatie aanschuif. Men reageert op een signaal alsof het een opdracht is. De directeur die zegt “we moeten hier iets mee” bedoelt vaak niet meer dan dat hij ongemak ervaart, maar de mensen om hem heen horen een instructie. Vervolgens wordt er een werkgroep ingesteld, een agenda opgesteld, een presentatie voorbereid — en ergens in dat proces is men vergeten te vragen wat het eigenlijke probleem is. Of liever gezegd: men heeft verzuimd te onderzoeken of er überhaupt een probleem is, of slechts een symptoom van iets anders.
Dit onderscheid — tussen een probleem en een symptoom — is er een dat ik in bijna elk traject opnieuw moet maken, en dat telkens weer weerstand oproept. Want een symptoom vraagt om bezinning, en bezinning kost tijd, en tijd voelt in een organisatie die in beweging is gebracht door extern nieuws als een luxe die men zich niet kan veroorloven.
Wat nieuws doet met de interne verhoudingen
Er is nog een tweede effect dat ik wil benoemen, en dat is subtieler maar minstens zo bepalend voor wat er daarna gebeurt. Wanneer nieuws van buiten een organisatie binnendringt, verschuiven de interne verhoudingen. Mensen die normaal gesproken weinig invloed hebben op de agenda, zien een kans. Mensen die juist gewend zijn de toon te zetten, voelen zich plotseling aangevallen of gepasseerd. En mensen die al langer vinden dat er iets moet veranderen, gebruiken het externe bericht als legitimatie voor een standpunt dat zij allang innamen.
In familiebedrijven speelt dit bijzonder sterk, omdat daar de rollen zelden samenvallen met de formele functies. De oprichter die technisch gezien geen bestuurder meer is, maar wiens oordeel nog altijd zwaarder weegt dan dat van de aangestelde directeur. De schoonzoon die verantwoordelijk is voor de operatie maar nooit echt is geaccepteerd door de tweede generatie. De financieel manager die al vijftien jaar loyaal is en daardoor een informele autoriteit heeft opgebouwd die nergens op papier staat. Al deze verhoudingen worden door een plotseling gevoel van urgentie — gevoed door nieuws van buiten — op scherp gezet.
Wat ik dan zie gebeuren is dat men niet vergadert over het onderwerp dat op de agenda staat, maar over de vraag wie er eigenlijk aan zet is. Dat is zelden uitgesproken, maar het is wel wat de energie in de kamer bepaalt. En het is ook de reden waarom zoveel vergaderingen over externe ontwikkelingen eindigen zonder besluit, of met een besluit dat niemand werkelijk draagt.
De kunst van het vertragen zonder te blokkeren
Nu zou men kunnen concluderen dat de oplossing simpel is: meer structuur, betere vergadertechnieken, een duidelijker besluitvormingsproces. En inderdaad, dat zijn zaken die helpen, mits zij op het juiste moment worden ingezet. Maar ik heb ook gezien hoe structuur kan worden ingezet als vertragingstactiek, als manier om een besluit uit te stellen dat men eigenlijk niet wil nemen. De vergadering die wordt omgebouwd tot werkgroep, de werkgroep die een rapport moet schrijven, het rapport dat ter consultatie wordt rondgestuurd — het zijn allemaal manieren om beweging te simuleren zonder ergens te komen.
Wat in mijn ervaring wél werkt, is een veel eenvoudigere interventie: de vraag stellen wat men eigenlijk wil weten. Niet wat men wil doen, want dat roept onmiddellijk posities op. Maar wat men wil begrijpen. Welke informatie ontbreekt er? Wat zou men moeten weten om een verstandig oordeel te kunnen vellen? En wie in deze kamer is het beste gepositioneerd om die informatie te vergaren, niet op grond van hiërarchie, maar op grond van kennis en nabijheid tot het onderwerp?
Die laatste vraag is de lastigste, want zij raakt aan de rolverdeling die in veel organisaties impliciet is gebleven. En precies daar — in het verschil tussen wie formeel bevoegd is en wie feitelijk het beste geïnformeerd is — zit de spanning die zoveel processen doet vastlopen. Niet omdat mensen van kwade wil zijn, maar omdat de structuur het hun niet makkelijk maakt om eerlijk te zijn over wat zij wel en niet weten.
Tot slot
Nieuws van buiten is niet het probleem. Het is een spiegel die organisaties soms onverwacht voorgehouden krijgen. Wat men daarin ziet, zegt meer over de interne verhoudingen dan over de buitenwereld. De vraag is of men bereid is even stil te staan bij dat beeld, voordat men in beweging komt. Dat vergt geduld, en een zekere bereidheid om ongemak te verdragen. Maar het is, in mijn ervaring, de enige manier om te voorkomen dat men hard werkt aan het verkeerde vraagstuk.
Leave a Reply